Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Legende
Regio: 
Luik

Tchantchès

Tchantchès

Tchantchès (François) met zijn sterk karakter, warm hart en gezond boerenverstand, maar ook met een licht ontvlambaar humeur, is het onsterfelijke symbool van de oproerige, vrijheidslievende, dus van de échte Luikenaar. Hij zou volgens de legende het levenslicht hebben gezien in de wijk Outremeuse en werd wapenbroeder van Roeland, de beroemde neef van Karel de Grote. Dit is zijn legende.

Op 25 augustus 760 stond de volkswijk Djus d'la Mouse of Outrmeuse op de rechteroever van de Luikse Maas, in rep en roer. In het midden van de straat kwam op een miraculeuze manier een baby ter wereld, zomaar tussen twee straatstenen in. Hij lachte naar de verbouwereerde mensen en begon opeens luidkeels te zingen van "komaan, moeder Gaspard, nog een glas, nog een glas." De dikke moeder Gaspard verscheen al meteen. "Gaan we dat kind laten sterven van de dorst?" riep ze uit. "Maar nee toch. We moeten hem te drinken geven. Te meer daar hij door al dat zingen nog meer dorst zal krijgen."

Ze liep haar huis in en kwam even later terug met een glas water. Maar de baby had blijkbaar een afkeer van water. Een man sprong naar voren en riep: "Zie je wel. Men wil me nooit geloven als ik zeg dat water voor niets deugt en dat het alleen maar goed is voor planten en dieren. Je krijgt er vissenbloed van. Dat kereltje hier weet van wanten en ik haal hem een drankje dat hij wel zal lusten."

Hij kwam terug met een in pèquet gedoopt koekje en ja hoor, dat lustte de kleine wel. Waarop de man hem een vol glas jenever uitschonk. De baby dronk het straffe goedje in één grote slok op, wilde opstaan, maar bonkte met zijn hoofd tegen de straatstenen. Geen nood, want hij krabbelde lachend op, waarop de jeneverman uitriep: "Hij is een echte Luikenaar. Hij heeft een steenharde kop. Hij wordt ooit beroemd."

Zijn vrouw zei daarop dat ze het kind adopteerden, ze noemden het Tchantchès en namen het mee naar hun kleine huis in Djus d'la Mouse, waar het opgroeide met zuigflessen vol jenever, gestookt van het beste graan. Zijn pleegmoeder stelde vast dat zijn neus in een veel sneller tempo groeide dan de overige delen van zijn lichaam. Die neus was hoogrood, met purperen en violette weerschijn. Kortom, je zou zweren dat het kind een neus had van een stokoude Waalse aanbidder van wijn en bier.

De neus van Tchantchès diende trouwens als model voor het maken van carnavalsmaskers. En wat moesten de pleegouders daar nu van denken? " Zie je wel" zei de pleegmoeder. " Dat komt ervan het kind te voeden met jenever. Hij heeft geen neus meer, maar een biet, die zijn leven lang een voorwerp van spot zal zijn. En dan zeggen dat hij zijn neus had kunnen hebben zo mooi als die van Jezus." Waarop de pleegvader het volgende antwoordde: "Jullie vrouwen, jullie denken niet na. Als het nuttigen van jenever als gevolg zou hebben het vergroten van de neus, dan zou ik zelf een enorme biet tussen mijn ogen dragen. Nee hoor, bij Tchantchès moet het toch een andere oorzaak hebben, waar wij geen weet van hebben. En hij had gelijk.

De grote neus van Tchantchès had het kin te danken aan de dag waarop hij gedoopt werd. De niet meer nuchtere vroedvrouw, die hem ten doop had gehouden, had namelijk zijn neus tegen de doopvont gestoten. Vandaar dus. Maar ondanks alles maakte hij zich zo beminnelijk dat hij op Hemelvaartdag van het jaar 770 uitgeroepen werd tot prins van Djus d'la Mouse. Zeg maar prins van de wijk waar hij woonde.

Hij wandelde vaak langs de oever van de Maas en op zekere dag hoorde hij twee personen met elkaar discussiëren. De ene was aartsbisschop Turpin, en hij verweet de andere, Roland neef van Karel de Grote, niet voldoende Latijn te kennen. Tchantchès mengde zich in het dispuut en zei dat dat Latijn inderdaad tot niets diende, maar dat het desniettegenstaande toch erg nuttig kon zijn. Hij stelde zichzelf voor als prins van Djus d'la Mouse en Turpin vond hem meteen zo aardig, dat hij zei: "Tjantchès, ik zie wel wat in jou. Ik zal je voorstellen aan onze grote Keizer Karel de Grote en voortaan zul je de gezel zijn van zijn neef Roland.

En zo kwam Tchantchès terecht aan het hof van de beroemde keizer, waar hij iedereen vermaakte met zijn grapen en zijn rake, ongezouten uitspraken, zoals die vandaag de dag nog steeds te horen zijn in de goede stede Luik. Hij trok mee naar Spanje om er de Moren te bevechten en in de eerste veldslag toonde hij zich een van de beste krijgers. Maar zijn manier van vechten was wel zeer ongewoon: Hij lichte zijn tegenstanders uit het zadel met een kopstoot en dat bleek heel efficiënt. Door die manier van vechten kreeg hij echter grote dorst en voortaan wilde hij niet meer naar het slagveld zonder de kruik jenever mee te nemen. En ja, toen kwam Roncevaux. Roland en Tchantès vochten weer eens als leeuwen en de Moren vluchtten aan alle zijden weg.

"Zo" zei Roland "Dat is weer eens geklaard. Ga nu maar een uiltje knappen, Tchantchès. Ik ga nog even kijken wat er gebeurt op de linkervleugel." Tchantchès gehoorzaamde, sliep als een das, maar werd gewekt door het klagelijk getoeter van een hoorn. Meteen was hij klaarwakker, maar het vreselijke was gebeurd: hij trof Karel de Grote aan bij de gesneuvelde Roland. Zijn verdriet was ontroostbaar. Hij trok zich met handenvol het hoofdhaar uit en zwoer dat hij de dood van zijn vriend zou wreken. En zo gebeurde het. Hij was de eerste op de wallen van Zaragossa en vocht voor twee. Maar hij bleef zichzelf verwijten dat hij had geslapen terwijl zijn vriend Roland sneuvelde. Dat kon hij zichzelf nooit vergeven.

Hij stierf in de leeftijd van veertig jaar, na een enorme smulpartij en ontsnapte op die manier aan de ouderdom. De hele bevolking van de stad beweende hem want hij was en is gebleven en zal altijd zijn het prototype van de authentieke Luikenaar, koppig, tegendraads, grote smulaap, wars van ceremoniële praal, vrijheidslievend in al zijn vezels,maar met een gouden hart dat steeds bereid is zich in te zetten voor de goede zaak.

Printvriendelijke versie

© 2018 Filip Gybels