Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Mythe
Regio: 
Kasterlee

De Kastelse kabouters

De kabouterberg te Kasterlee
Wandelende bomen op de kabouterberg

Sedert lang zijn de Kaboutermannekens tot allemans vreugde uit de kempen verhuisd. Het was een raar volkske. Met duizenden woonden zij in een berg, die men de dag van vandaag "Kabouterberg" noemt. Zij hadden er de vossen en de konijnen verjaagd en hadden hem verder helemaal uitgegraven.

Aan de ene kant van de Kabouterberg was een grote poort, die men langs de binnenzijde sloot en langs daar werd alles binnengebracht wat zij gedurende de nacht bij de boeren gestolen hadden. En dat waren niet alleen kalkoenen, eenden, kiekens, konijnen, maar zelfs kalveren, koeien en ossen. Als het donker werd, kwamen zij allemaal samen uit hun schuilhoek en trokken naar een boerenhof. Daar kozen ze in de stallen al wat hen beviel en gingen ermee naar hun Kabouterberg.

In het begin verzetten de mensen zich daartegen, maar zij ondervonden weldra dat alle tegenstand nutteloos en voor hen noodlottig was. Want kwam er iemand om hen te verjagen, dan sprongen de kabouters met honderden op hem, klampten zich aan hem vast zodat hij niet meer verroeren kon en ranselden hem onbarmhartig af. En het mooiste van al was dat er nooit een kaboutermanneke in de slag bleef. Werd er een vastgegrepen, zo ontglipte het aan de hand als een paling.

In die streek leefde een jonge, kloeke boer die vroeger vijftien koeien had, deze werden hem alle ontstolen door de deugenieten. Hij beminde Mieke, de dochter van zijn rijke buur en Mieke zag hem ook gaarne. Op zekere dag kwam de jongen bij de vader en vroeg hem met Mieke te mogen trouwen. Maar de boer schoot in een helse gramschap.
"Mijn Mieke" zei hij "zal niet trouwen met iemand die geen fluit bezit en enkel goed is om de koeien te gaan wachten. Mijn Mieke zal maar trouwen met iemand die haar tienduizend gulden meebrengt."

De jongeling was erg bedroefd. Wat gedaan? Hij trok naar de kabouterberg. Misschien zouden de kaboutermannekens hem zijn koeien weergeven. Het begon al donker te worden, toen hij de kabouterberg bereikte. Hoe hier nu binnengeraken? Daar hij niet wist hoe hij binnen moest, wachtte hij. Het kon al één uur van de nacht zijn, toen een koe kwam aangelopen en de poort geopend werd om ze binnen te laten. Snel greep de jongen de staart van de koe en daar was hij binnen. Nauwelijks hadden de mannekens hem bemerkt of alles raakte in rep en roer. Uit alle hoeken en kanten kwamen zij bijgesneld en sloegen en schopten hem zo erbarmelijk dat hij weldra halfdood op de grond uitgestrekt lag.

"Mannekens, mannekens" riep hij "houdt nu op met slaan. Ik kwam om u iets te vragen. En staat het u niet aan, laat mij dan vertrekken of liever, slaat mij helemaal dood, want dan heb ik geen hoop meer." En hij deed zijn geschiedenis uiteen en hij sprak zo schoon, dat zij met hem medelijden kregen. Ze lieten hem naar huis gaan en in zijn stal vond hij zijn vijftien koeien en op tafel in huis vond hij een zware beurs vol gouden kronen. En nu bood de rijke boer geen tegenstand meer. De jongen trouwde met Mieke en zij waren gelukkig.

Maar de historie van de jongeling was weldra voor iedereen bekend en de kaboutermannekens kregen op den duur alle dagen te doen met verliefden, die hun hulp kwamen afsmeken. Maar al die tranen begonnen hen te vervelen en, om gerust te zijn, maakten zij op zekere avond hun pakken en zakken gereed en trokken het land uit, aan de overkant van de Rijn, waar ze nog leven.

Printvriendelijke versie

© 2017 Filip Gybels