Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Mythe
Regio: 
Beselare

De kwade hand van Calle Bletters

Paard

In de Wervikstraat in Beselare bevond zich ooit de smidse van Pieter Belettere. Deze had een dochter Katrien, maar ze werd door de mensen Calle Bletters genoemd. Calle bezat een toverboek van perkament en daar leerde ze allerhande toverspreuken uit. Ze had het daarbij vooral op paarden gemunt. Als ze haar linkerhand op de rug van zo'n dier kon leggen, dan kon je er donder op zeggen dat de voerman lang nog niet thuis was met z'n paard.

Op zekere dag liet een voerman uit Roeselare in de genoemde smidse zijn paard beslaan met nieuwe hoefijzers. Hij was amper weer op weg, of daar begon zijn dier te steigeren en zijn kop te schudden, terwijl de paardenogen uitpuilden. En nu herinnerde de voerman zich opeens dat hij gezien had had hoe Calle haar linkerhand op de paardenrug had gelegd, terwijl ze stilletjes iets prevelde, een toverformule natuurlijk.

Ten einde raad trok de voerman naar de abdij van Zonnebeke, in de hoop dat de paters hem zouden helpen. Hoe dichter ze de abdij naderden, hoe lastiger en schuwer werd het paard. Het beefde over heel zijn lijf en het schuim stond op zijn mond. Toen een pater het belas, stroomde het zweet van het paardenlijf. Tot slot kreeg de voerman een gewijde medaille om het aan het gareel vast te maken en een prentje met een gebed dat hij, negen dagen lang, elke ochtend en iedere avond moest opzeggen.

Op die manier kon hij zonder ongelukken thuis geraken en zijn paard zou na negen dagen genezen zijn. En zo gebeurde het inderdaad. Mäar de voerman trok sindsdien in een boog om Beselare heen.

Printvriendelijke versie

© 2018 Filip Gybels